Ze hebben wel een beetje een oneerbiedige Nederlandse naam deze stinkslangen (Elaphe carinata), maar je zal ze in ieder geval niet gaan ruiken, een woordje uitleg.

De Engelse naam, de ‘king ratsnake’ of ‘konings rattenslang’ doet hun meer eer aan. Deze naam verdienen ze aan hun gelijkenis in dieet met de koningscobra. Ze zijn namelijk ook verlekkerd op andere slangen, net zoals de koningscobra. Dat ze zo groot zijn (tot 2,5 meter) is dan ook een aanpassing op dit dieet. Hoe groter je zelf bent, hoe meer soorten andere slangen dat je kan eten. Ze hebben gelukkig een erg divers dieet en eten ook andere prooien zoals knaagdieren, we hoeven deze soort daarom geen andere slangen te voederen.

De naam stinkslang krijgen ze omdat ze goed ontwikkelde anale klieren hebben. Andere slangen hebben dit soms ook, maar de stinkslang is toch wel een kanjer in het gebruiken van stank als afweermechanisme. Ze gebruiken dit afweermiddel gelukkig enkel als ze zich echt bedreigd voelen als je ze ruw vastneemt bijvoorbeeld.

Ondanks de stank is deze slang de meest voorkomende slang in de Aziatische keuken. Ze worden massaal gevangen voor hun slangenvlees. In gevangenschap is deze slang niet zo populair omdat ze groot wordt en soms iets moeilijker te hanteren is. Voor de mensen die ze dan wél houden is er dan weer een selectie naar bepaalde kleurafwijkingen of ‘morphs’ (zoals albino’s) waardoor de originele wildkleur straks misschien nergens meer te vinden is. Dierentuinen moeten zich inzetten voor een heel breed gamma aan soorten, ook de iets minder populaire. Maar we moeten toegeven dat het een mooie slang is, die bescherming verdient voor wat hij is. Het is immers een nuttig dier omdat hij andere, giftige, slangenpopulaties in toom kan houden.

Bescherming van dieren gaat niet altijd over iets doen voor de dieren die de bezoeker al leuk vindt, het gaat ook over in de kijker zetten wat er speelt en aandacht geven aan de onbekendere soorten, die uiteraard even mooi zijn dan de bekendere soorten.